donderdag 1 november 2012

zonderdag



mijn kleding gladgestreken
maar mijn gezicht kent plooien

en als je ooit zou spreken zou je
zeggen dat emoties en woorden
nou eenmaal niet goed samen gaan

ik ben geen legerofficier
soldaat noch vijand
als het mij niet pijnigt
spreek dan niet
als het mij niet heelt
wees dan stil

ik weer je weer

mijn lijf gekreukeld
de streling van toen:
mijn bloedeigen handen
die ik opwacht en
tegemoet kom
met mijn oppervlak

mijn kleding zorgvuldig gladgestreken
en mijn huid zoekt wanhopig plooien

en als ik ooit zou spreken zou ik zeggen
dat verlangen vals kan worden en dat
valsheid ook verlangens kent

wend je ogen af
als hij je aankijkt
en ik versier mijn
huis en haard met
irissen en anjers

ik weer het weer

speel jij de parten en
sla jij de genade gade
en ik laat je ijken en
vooruit dan maar:
ik laat je zijn

doch enkel nog mijn
linker onderarm
behoort tot jouw
terrein

maandag 8 oktober 2012

woordsalade



brutaal vroeg je wat liefde is
maar ik sprak jouw taal niet
niet op die manier
het is geen pijn – niet dát soort pijn
en ik met mijn wedervragen
je antwoordde summier

gelift boven de wolken
iets met krachten halen
en ik en mijn halen
zijn identiek daaraan

en om het voor eens en altijd te bewijzen
ontmantelt lef gedrapeerde lijven
bourgeoisie geeft maskers rond
maar niet aan ons – niet meer althans
het is tenslotte nog geen winter

---------

hij verandert lieverd in een meisje
en ik onthoud mijn wedervragen
hij spreekt mijn taal niet en ik
houd per definitie op met spreken
net als vroeger toen ik nog
idyllisch gek was

ik ben zijn naam allang vergeten
en hij herhaalt de mijne
stelt zijn stellingen en
weet wat het betekent
als ik zwijg

en ik koester zijn demonen
alsof het mijn eigen waren
aai ze over hun hoofden
flirt ze naar vergetelheid
hij leerde mij liefhebben
eeuwig spijt

---------

gedachteloos splits ik het
breek ik het in honderd stukken
in honderd stukken breek ik
niet voor niets – nooit voor niets

de steken trekken als de ziekte
verbinden mijn huid aan de jouwe
en hoe mooi dingen ook mogen zijn
hoe fijn of hoe lieflijk
ik kan het keren
dat zal ons leren

en ik kan alles infecteren
eerst de wonden
dan ieders vertrouwen
eerst het jouwe

---------

drie bij twee aan klinisch wit
mijn lichaam houdt een monoloog
trillen schudden bloeden huilen
het is bezig te verdwijnen
nee niet sterven
één worden met niets

onvoorzichtig verwijderen ze de draden
die mijn mij aan mijn omgeving bonden
die alles bijeen hielden
en het is geen pijn
niet dát soort pijn

---------

brutaal vroeg ik wat liefde is
terwijl ze me door gangen loodsten
ik krijste je weerwoord
nee nee nee nee nee
maar ze spreken mijn taal niet
niemand spreekt mijn taal
ik ook niet meer

dinsdag 2 oktober 2012

tableau vivant



weggedoken in de coulissen
gaf ik jou de woorden terug; mijn
ogen afgewend omdat ik wist dat ze
hun waarde toch wel zouden verliezen

dus ik doe alsof je huilt
en ik – weet je wat ik kan? –
laat de balans wankelen terwijl mijn
gedachten verder reiken dan de kim
van een ademend verlangen en jij
merkbaar de luchtwegen bevuilt

weggedreven in alle ophef
mijn handen in de jouwe terwijl
jij je ijdelheden repeteert en ik blijf
ruggelings dansen met realiteitsbesef

dus ik doe alsof je zucht
en jij – weet je wat ik kan? –
met de gecastreerde onzin terwijl ik
de schets aanschouw van de lethargische
hulpvaardigheid; slechts een spotprent
die destructief de gaten vult met lucht

ver voorbij de angst en vrees
je emoties overschattend en het
vertoeven erin is even stompzinnig
als je ongenaakbaar mannenvlees

ik buig voor niemand meer
en zeker niet voor jou
en terwijl ik verder kruip
richting zogenaamd
herstel

doe wat je niet laten kunt
en op mijn manier
help ik mezelf wel

zondag 30 september 2012

als ik dat geweten had



proberen kan geen kwaad dacht ik
dus poogde ik te praten met het schepsel
dat in wekelijkheid minder angstaanjagend
had moeten zijn – minder cartoonesk
en daar stond ik dan te trillen
één voet op zijn ruggengraat
de ander in zijn nek; hoe ik
bleef staan is mij een raadsel

het werkte niet natuurlijk
en ik werd wakker om te slapen
mijn lichaam deed nog zeer van de
vorige nacht – waarin het bed mij
tevens vreemd was – waarin mijn
woorden zowaar wat deden:
dekens dus

zij aan zij sliepen wij
kunstgras als matras
een arm om op te rusten
af en toe een kus

en vanochtend houd ik de tijd
nauwlettend in de gaten
en turf ik haar af
maar zonder een eindpunt
en zonder een eenheid

want ik weet het niet
ik weet het nooit immers
en jij gebruikt mijn woorden
en ik de jouwe terwijl ik zacht
je ogen bedek met stukjes huid

slaap maar dan
ik red het wel
zoek gedachten
die je bevestigen

“overtuigd worden is
iets anders dan geloven”
riep het vreemde beestje luid
en dan hoor ik de botjes kraken;
geen onaangenaam geluid