zondag 30 september 2012

als ik dat geweten had



proberen kan geen kwaad dacht ik
dus poogde ik te praten met het schepsel
dat in wekelijkheid minder angstaanjagend
had moeten zijn – minder cartoonesk
en daar stond ik dan te trillen
één voet op zijn ruggengraat
de ander in zijn nek; hoe ik
bleef staan is mij een raadsel

het werkte niet natuurlijk
en ik werd wakker om te slapen
mijn lichaam deed nog zeer van de
vorige nacht – waarin het bed mij
tevens vreemd was – waarin mijn
woorden zowaar wat deden:
dekens dus

zij aan zij sliepen wij
kunstgras als matras
een arm om op te rusten
af en toe een kus

en vanochtend houd ik de tijd
nauwlettend in de gaten
en turf ik haar af
maar zonder een eindpunt
en zonder een eenheid

want ik weet het niet
ik weet het nooit immers
en jij gebruikt mijn woorden
en ik de jouwe terwijl ik zacht
je ogen bedek met stukjes huid

slaap maar dan
ik red het wel
zoek gedachten
die je bevestigen

“overtuigd worden is
iets anders dan geloven”
riep het vreemde beestje luid
en dan hoor ik de botjes kraken;
geen onaangenaam geluid

vrijdag 28 september 2012

psychotenstraat



ergens tussen de vrijwel volle
maan en het ochtendgloren
schreef ik de regels

niet een afwezigheid van alle narigheid
maar een aanwezigheid van iets moois

en ergens tussen slapen in schreef hij
dat kleine dingen groots worden en ik
geloofde hem (niet alleen in die contreien)

ik luister (synchroon) ik lees en voor het eerst
lijkt het wel of wij beginnen te (be/her)kennen

en dan komt de nacht (brengt vaak paniek)
bent u soms niet goed bij uw hoofd meneer? en voor
de laatste keer: houd toch je mond malloot

en wie is hier de idioot? de man die zijn huisraad
naar beneden smijt? of de man die hem bedreigt?

een buik vol bloed, maar dat zag ik niet
maar ik voel het in mijn eigen (bellen nu!)
tweemaal is scheepsrecht

zo ben ik ook / zo ben ik niet *
en ik mis het vorig uur

zeg eens iets fijns; zeg eens dat je me
heeeel lief vindt en lief zal zijn voor mij
dan ga ik je geloven (beloofd? beloofd!)

met twee woorden graag
papa help (en weet dat ik je mis)

0900 88 44
* doorhalen wat niet van toepassing is

woensdag 26 september 2012

de zonnekoningin



een man vroeg zich ooit af
of vergeving hetzelfde is als
acceptatie; hij vergaf
immers de wereld door
haar te accepteren

en de jonge vrouw leek wel wat
op hem – al was zij dan geen
schrijver – met lijf en leden had
zij onderzocht of haar lichaam
de liefde overtrof

en ik zag de diaken de minnaar dragen
gedrieën vroegen wij ons af of hij de duivel was
of de afgevaardigde die was gekomen
uit de mensheid en de fauna om
mij te overtuigen van de alliantie
tussen dood en verderf

dus ik aai de vrouw over haar sluike haren
kus de man zo vaak ik kan; de liefde
werd gesnoeid, de lust ontluikend;
godinnenbloed gutst uit haar met elan
“wat moet ik doen?” vraagt hij per tekstbericht
“je vrouw…” fluistert ze dan

lieve koningin; grijp mij de zon niet aan
lief wezen; laat mij leven, zij smeekt me
en ik sloeg haar op haar hoofd terwijl mijn
neus beroerd werd door een kinderhand

en och, aan de andere kant:
wat heb ik te verliezen?
lichaam lijdt wel
hoofd rust wel
je kunt bijten wat je wilt
lachen in grootheidswaan

ik zeg toch niets
jij zegt toch niets
ik heb mijn tenen
en het is een mooie idee-fixe
dat ik bepaal hoe ver we gaan

maandag 24 september 2012

kraalogen



alles wat de dagen korter dwong
bleef ik maar herhalen; op zoek
naar kralen met de filantroop
enkel enkelen om enkels

ik leg het uit in wartaal
bereken de verlangens
gecastreerde telramen
in ruimte noch heelal

zweer het zweer het zweer het
dus dat deed ik
en dan te bedenken
dat ik vroeger weleens bang was
voor wezentjes die in zichzelf praatten

alles wat het denken trager dwong
bleven ze herhalen; en mocht
ik falen – beloftes aan de hedonist
en mijn paranoïde paradox

ik leg het uit in wartaal
bereken mijn vermogens
gevierendeelde utopieën
in aard noch vloeibaarheid

en ik blijf maar vloeken tieren
schelden maar zij zijn mijn
woord niet; de taal is al
ontbonden en verdomme
kan niet ademhalen

en alles wat de dagen korter dwong
tijdens het slijten van mijn sprookjes
rot op riep ik maar niemand die het hoorde
dus ik vlij mij neer in sages
poog te slapen, waan me vredig
in de handen van de man

als ik niet gek word in de naam des hemels
wat in hemelsnaam gebeurt er dan?

woensdag 19 september 2012

liftangst



omhoog ga ik (ik tel de uren af met
de claustrofoob aan mijn zij) mijn
ene hand rustend op het koude
staal (de zijne) de andere streelt
zachtjes het beton dat onder mijn
vingers naar beneden glijdt

en eenmaal boven, ver boven het
blauw & wit  (wolleke) leg het
lichaam neer in kabbelend water;
het meer (of is het zee?) dat stil
mijn verroestte lijf omarmt, één
wordt met mijn huid (gehavend)
en mij liefdevol de adem ontneemt

was dat hoe ik mijn duizend doden stierf?

en eenmaal terug op vasteland (de
aarde) de kerk gevuld met wolven die
zich één voor één mens waanden en
mij (geurig en kleurig) herbeleefden;
afwezigheid van spinnenpoten (nee)
slechts mannenhanden, slechts
lichaamsdelen die ver(der)gaan

masturberend voor het altaar
ik ontvang wel; kom dus maar

ik zag het maar ik voelde niet
althans niet dáár en niet in mijn
denken (dacht ik doch); maar
ik verwarde soms zijn handen
met poten van roofdieren; en och
wellicht dat het coyotes waren

vervelend of verveling; ik sliep niet
en kon dus ook niet wakker worden
maar ik ontwaakte toch nadat hij
een waarom uitte en ik alleen
maar trillen kon (oke; een beetje
huilen) liggend op zonneschijn
deed ik het uit de doeken

was dat hoe ik mijn duizend doden stierf?

en hij houdt mij vast en ik
knuffel hem met woorden;
dat ik pijn heb en pijn wil doen
en als ik iets verbranden moet
laat het dan hen zijn
laat het dan huid zijn
de duivelspoot
demonen

ruggelings dansend voor het altaar
en ik verlang wel; kom dus maar

ik wil wel maar ik kan niet
ik kan wel maar ik wil niet
en in mijn dromerigheid
verbied ik hem te slapen
zonder mij vast te houden
zonder mij los te laten
zonder mijn zaligheid

was dat hoe hij zijn duizend doden stierf?

en wij maar huichelen
in meineed en in rust
en ik sta slechts toe dat
enkel nog een hoofse
liefde in fabelen
mijn slapen kust