zonsgezicht wordt af en toe
ontsluiert; spreekt van dagen
hier en daar , thuis of in ‘t
verschiet , daagt en vaart
jouw scheepje
en het schuim dat ook jouw
voeten draagt laat watervogels
schuifelbekkend schuimbekken
langs de ziltgedragen vruchten
waar een zeewind – niet te mak –
golven ritmisch naar de zoom
van nat tussen het zand laat vluchten
necroflilisch bemin ik dode
golven en levendiger jou en
kafkaësk bonkt mijn verwaaide
hart; roept dat ik thuis ben hier
en als ik mij hul in gewapend
oranje en nieuw beton; ontmantelt
lef gedrapeerde schouders terwijl
ik je wangen met schelpen versier
bandieten zijn we, boevengebroed
maar heerlijk is het liever als ik
provisorisch salade hussel op het dek
zeg dat ik het koud heb
dat ik van je houd
beide even waar
zoek de evenaar
van het eiland
of des liefdes
jouw scheepje
daagt en vaart
ons naar ons
thuis
Geen opmerkingen:
Een reactie posten